SO1: Wie ben ik?
Tekst hier invullen...
Wie ben ik?
Duur
+/- 20 minuten
Terrein / locatie / plaats
Binnen in de kring. (achteraan de crèche)
Aantal deelnemers + leeftijd
Alle kinderen van alle leeftijden kunnen deelnemen
Aantal spelleiders/begeleiders
1 iemand voert uit (ik), 1 begeleider ter controle
Ontwikkelings(deel)domeinen die hier gestimuleerd worden. Wees voldoende gedetailleerd!
- Motorische ontwikkeling, fijne motoriek: het voelen aan de materialen en het vastgrijpen van bepaalde elementen uit de voeldoos.
- Cognitieve ontwikkeling, taalontwikkeling: de kinderen leren meer bij over de dieren en leren de geluiden met de dieren te associëren.
- Sociaal-emotionele ontwikkeling: de kinderen krijgen een vorm van vertrouwen door de interactie.
Ervaringsgebieden:
- Ik en de ander: zin voor initiatief
- Communicatie en expressie: taalontwikkeling
- Lichaam en beweging: manipuleren
- Verkennen van de wereld: fysische wereld
Materiaal + verantwoordelijke
- Grote knuffels of handpoppen van boerderijdieren (koe, kip, schaap, varken, paard)
- Een boerderijtje
- Kleine boerderijdiergeluiden op een speaker of telefoon (extra)
- Emmertje met voelmaterialen: stukjes wol (schaap), glad plastic (ei), stro, zacht rubber (varkensneusje)
Alles wordt door de stagiaire zelf voorzien.
Schets inrichting speldomein (kies de juiste opstelling uit de bijlage op SMS of teken zelf mét legende)
zie document uploadzone
Wie zet wat op voorhand klaar? (Verduidelijk eventueel in je schets)
- De boerderij met de dieren wordt in de kring gezet.
- De voeldoos staat al klaar voor de kinderen als afsluiter.
Spelregels
Schrijf de basisspelregels uit.
- Alle kinderen worden tijdens de activiteit evenveel betrokken.
- Iedereen blijft zitten in de kring, zodat iedereen de knuffels goed kan zien.
- Elk kindje wacht op zijn beurt, ieder kindje komt aan de beurt.
- De kinderen kijken naar de begeleider en luisteren goed.
Moeilijkheidsgraden
Noteer hier hoe je de spelregels kan vereenvoudigen en moeilijker maken voor de doelgroep (= drie moeilijkheidsgraden).
Moeilijkheidsniveau 1 (0–8 mnd)
- Slechts één knuffeldier tegelijk tonen
- Focus op kijken en voelen van het zachte materiaal
- Eenvoudige geluiden ("boe boe"), zacht en langzaam herhaald
- Dichter contact
Moeilijkheidsniveau 2 (8–16 mnd)
- Twee dieren achtereenvolgens uit de "boerderijdeur" halen
- Kind imiteert korte geluidjes
- Aangepaste woordenschat
Moeilijkheidsniveau 3 (16–24 mnd)
- Drie dieren afwisselen, met herkenningsspel ("welk dier hoor je?")
- Kind kan zelf zeggen welk dier het verkiest die uit de boerderij komt.
- Moeilijke woordenschat
Uitleg van de activiteit (inleiding – midden – slot)
Zorg voor een creatieve inleiding (= op welke manier maak je de kindjes warm om deel te nemen aan je activiteit) en een creatief slot (sluit de activiteit op een leuke manier af).
· Inleiding
- Ik ga in de kring zitten met de
kinderen en ik stel mezelf kort voor.
"Hallo, ik ben Ashanti, ik ben een nieuwe stagiaire en ik kom spelen bij jullie op de boerderij vandaag!"
- Ik begin met het inleiden van de activiteit door middel van mijn boerderij. Ik neem hem erbij en haal de knuffeldieren uit.
- Ik maak hierbij telkens een
dierengeluid en stel het dier voor:
vb: "Wie zegt boe boe? Dat is de koe! Hallo koe!" - Ik zorg hierbij voor voldoende interactie tussen de kinderen: "Wil jij ook de koe aaien?"
· Midden
- Ik laat het dier 'rondwandelen'
naar elk kindje. Hierbij gebruik ik hun naam indien mogelijk:
"Hallo Esther, de kip komt jou goeiemorgen zeggen. Tok tok!" - Ik laat het dier zachtjes 'kietelen' of een knuffel geven.
- Ik bekijk hierbij de lichaamstaal van de kinderen. Als de kinderen aantonen dat ze dit niet leuk vinden is dit ook ok.
· Slot
- Ik haal mijn voeldoos van de boerderij met boerderijmaterialen naar boven. (zoals wol, stro, rubber).
- Ik laat de (oudste) kinderen zachtjes voelen, terwijl je
vertelt welk dier erbij hoort:
"Voel je dat zachte? Dat is wol, van het schaap."
Na dit ritueel sluit ik af hoe ik het verhaal ben begonnen:
- Ik zwaai met de knuffels en laat eventueel een kindje dat wil ook zwaaien.
- Hierna laat ik alle boerderijdiertjes opnieuw in de boerderij gaan.
Wie doet wat tijdens de activiteit?
- De kinderen luisteren en proberen zoveel als mogelijk interactie te hebben.
- De begeleider stimuleert de kinderen om het uiterste uit hen te halen.
Wie voert de nazorg uit?
- Ik als begeleider neem de spullen die ik heb meegebracht terug mee.